Startpagina I Instituut I Studenten I Projecten I Evenementen I Nieuws I Agenda I English Summary
   
   
   
PROJECTEN  
   
 

Ouderen en Relaties (2002)
Op woensdag 15 mei werd wereldwijd de Dag van het Gezin gevierd. Naar aanleiding hiervan organiseerden het Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen en het Vlaams Centrum voor het Welzijn van Kinderen en Gezinnen de dag ervoor een themadag waarop vertegenwoordigers van wetenschappelijke centra, beleidsinstanties en het middenveld elkaar ontmoetten. Thema dit jaar was het relatieleven van ouderen.

Na een welkomswoord en een situering van de Dag van het Gezin binnen het beleid van de Verenigde Naties, ving de dag aan met een lezing over de burgerlijke staat en de huishoudelijke samenstelling van oudere personen in het Vlaamse gewest door Thérèse Jacobs. Prof. Jacobs, algemeen directeur van het Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudie, vertrok van de vaststelling dat in de aanbevelingen van het Internationaal Actieplan voor Ouderen (Madrid, 2002) slechts op een partiële wijze sprake is van het relationeel leven van de ouderen. De partnerrelatie van ouderen wordt volgens haar niet gethematiseerd. De huishoudelijke samenstelling, meer in het bijzonder de co-residentie met een kind, daarentegen wel. De ouderrol wordt daarbij genuanceerd bekeken, met name in het raam van de reciproke intergenerationele relaties. Toch blijkt dat er voornamelijk belang wordt gehecht aan de uitwisseling van zorg en opvang.
Prof. Jacobs liet daarop enkele nieuwe gegevens volgen (2000), die de situatie in het Vlaams gewest beschrijven. Bij deze voorstelling gaf ze eveneens een kort overzicht op de beleidsrelevantie van deze situatie en van de trends sedert 1990.

Wat de burgerlijke staat betreft, valt het volgens Jacobs op dat er meer oudere mannen gehuwd zijn en oudere vrouwen meer verweduwd zijn. Verder neemt het aandeel gehuwden in elke leeftijdsgroep van ouderen toe. Het aandeel ongehuwden is klein en neemt af terwijl het aandeel gescheidenen (eveneens klein) toeneemt.
Deze kenmerken zijn volgens Jacobs gelijklopend in diverse Europese landen omdat ze vooral verklaard worden door demografische ontwikkelingen, met uitzondering van echtscheiding, dat veeleer een sociaal-cultureel gegeven is.

Wat de huishoudelijke situatie betreft, viel op dat oudere vrouwen meer alleenstaand zijn terwijl oudere mannen meer in gezinsverband leven. De groei in het aandeel alleenstaanden wordt afgevlakt hoewel het aantal alleenstaanden toeneemt. Voorts omvat een groeiend aantal huishoudens uitsluitend ouderen (alleenstaanden of een paar) en vermindert het (reeds kleine) aandeel multi-generationele huishoudens verder. Het kleine aandeel ouderen in collectieve voorzieningen, ten slotte, neemt volgens Jacobs toe. Ook deze kenmerken zijn typisch voor de noordelijke en westerse Europese landen. Vlaanderen volgt dit patroon terwijl andere landen, omwille van welvaartspeil familiale cultuur, afwijken.

Vervolgens onderzocht Prof. Jacobs het verband tussen de burgerlijke staat en de woonsituatie. Uit deze analyse blijkt dat de woonrealiteit van ouderen niet perfect voorspelbaar is vanuit de burgerlijke staat maar dat er zich toch hoge correlaties voordoen. De analyse leidt enerzijds tot een verdere nuancering van de gegevens van de burgerlijke staat (vb niet alle verweduwden leven zonder partner; niet alle gehuwden wonen met partner) en anderzijds tot hypothesen omtrent de verdere evolutie van (vooral) het aandeel alleenwonenden en het aandeel personen die verblijven in collectieve vorzieningen. Meer in het bijzonder werd de hypothese uitgewerkt dat het verweduwen op latere leeftijd leidt tot een hogere kans tot opname in een instelling. Indien deze hypothese opgaat, zou de toename in het aandeel gehuwden tot op latere leeftijd tegelijkertijd leiden tot een mindere druk op de rustoorden én tot een hogere druk.

In een tweede lezing ging Prof. Dimitri Mortelmans (UIAntwerpen) dieper in op de gevolgen van echtscheiding op latere leeftijd. Hij wees erop dat er vooral sinds de jaren zestig en zeventig een sterke stijging is vast te stellen in het aantal huwelijksontbindingen. Sinds deze periode is de academische aandacht voor het echtscheidingsverschijnsel bijzonder groot waardoor de kennis van de oorzaken, het verloop en de gevolgen van echtscheiding goed gedocumenteerd zijn.

Volgens Mortelmans is de kruising van twee demografische trends, zijnde de veroudering en de toename van echtscheidingen, veel minder gedocumenteerd. In toenemende mate valt er evenwel te constateren dat de veroudering aan de ene kant en de echtscheidingstrend aan de andere kant elkaar kruisen. Aan dit fenomeen zijn twee aspecten te onderscheiden. Aan de ene kant betekent de kruising een toename, hoewel miniem, van het aantal echtscheidingen op hoge leeftijd. De veranderde maatschappelijke houding ten aanzien van echtscheiding maakt dat ook bij de oudere cohorten meer echtscheidingen voorkomen. Een tweede en meer belangrijk aspect betreft het verouderen van mensen die ooit in hun leven een echtscheiding doorgemaakt hebben.

In zijn bijdrage ging Prof. Mortelmans ook na wat de gevolgen op latere leeftijd zijn van een echtscheiding. Deze gevolgen werden bekeken op drie domeinen: sociale, economische en gezondheidsgevolgen. Bijzondere aandacht ging daarbij uit naar cohorteverschillen ten aanzien van deze gevolgen maar ook en vooral naar gendereffecten. Zo onderzocht Mortelmans of er sprake is van een gender-tijdsparadox met betrekking tot echtscheiding. Daarmee bedoeldt hij dat vrouwen op korte termijn zwaardere gevolgen ondervinden van een echtscheiding dan mannen maar dat op lange termijn de gevolgen van het ouder worden zwaarder wegen op mannen.
Om deze hypothese te toetsen werd gebruik gemaakt van de panel studie van Belgische huishoudens PSBH. Gebruik makend van de golven van 1992, 1994 en 1997 bekijken we de verschillen in de sociale, economische en gezondheidstoestand van de groep ooit-gescheidenen in vergelijking met de gehuwden en nooit gescheidenen. Opmerkelijk daarbij was de constatering dat de gevolgen voor gescheiden vrouwen eerder economisch en voor mannen eerder psychosociaal zijn.

In een juridische bijdrage ging Koen Vanwinckelen (assistent aan het Instituut voor Familiaal Vermogensrecht, KULeuven) in op de gevolgen van nieuwe relaties op oudere leeftijd voor het familiaal vermogensrecht. Een onderwerp dat momenteel de belangstelling geniet door het voorstel van wet, ingediend door de heer Valkeniers, volksvertegenwoordiger in de Kamer.
De wetgever, zo stelde Vanwinckelen, heeft lange tijd zeer wantrouwend tegenover stiefouders gestaan. Deze stiefouders werden er immers van verdacht voordelen na te streven die hun zouden worden toegekend ten nadele van hun stiefkinderen. Pas met de Wet van 1981, die de langstlevende echtgenoot tot volwaardig en reservatair erfgenaam maakte, kreeg de stiefouder dezelfde erfrechten als de gemeenschappelijke ouder. Deze hervorming wijst volgens Vanwinckelen duidelijk op een gewijzigde opvatting over het huwelijk, dat niet langer wordt gezien als op voortplanting en overdracht van familiegoederen gericht, de zgn. verticale functie, maar als een relatie-instituut waarin twee mensen zich willen engageren, zich willen ontplooien en elkaar enige bestaanszekerheid willen verschaffen, kortom als een gebonden levensgemeenschap, de zgn. horizontale functie. Deze horizontale beweging zet zich nu ook door in het erfrecht, waar de verzorging van de langstlevende echtgenoot een centrale plaats heeft gekregen. Men is als het ware geëvolueerd van een familie-erfrecht naar een gezins-erfrecht.

De toekenning van een erfrechtelijke reserve aan de stiefouder, die hem in principe niet kan worden ontnomen, wordt in de praktijk echter negatief onthaald en doet sommigen zelfs aarzelen om een nieuw huwelijk af te sluiten. Men beseft immers dat de kinderen van één van de partners zich in dergelijk geval in een deel van hun erfrechtelijke aanspraken beperkt zien ten voordele van de langstlevende stiefouder, die minstens het vruchtgebruik op de helft van de nalatenschap verkrijgt. Deze vrees behoort volgens Vanwinckelen binnenkort waarschijnlijk tot het verleden. Het wetsvoorstel Valkeniers laat immers toe dat de echtgenoten in hun huwelijkscontract wederzijds elkaars erfrechten kunnen inperken, zo er reeds kinderen uit een vorige relatie zijn. Maar Vanwinckelen had ook enkele kritische en fundamentel bedenkingen bij het wetsvoorstel. Strookt het bijvoorbeeld wel met de ontwikkeling in het erfrecht om de positie van de langstlevende echtgenoot te verbeteren, een trend die zich ook op Europees vlak aftekent? Is dit dan geen stap terug, vroeg Vanwinckelen zich af?

Naast academische bijdragen werd op de themadag ook aandacht geschonken aan de ervaringen uit de hulpverlening. Op zijn gekende manier wees Luc Van de Ven (Dienst Psychiatrie, UZLeuven) er de deelnemers op dat de ouder wordende partnerrelatie voor sommigen dé charme van het senior-zijn uitmaakt, terwijl het voor anderen veeleer de steen des aanstoots is, waarbij de strijdbijl niet begraven wordt en openstaande rekeningen op vereffening wachten. De geschiedenis van het koppel speelt volgens Van de Ven hierbij uiteraard een belangrijke rol. Ook de nieuwe uitdagingen, zoals het feit dat een toenemend aantal oudere vrouwen centrale zorgdragers worden, laten hun invloed gelden.

Van de Ven wees erop dat bij de hulpverlening binnen de gezondheidszorg men zich voldoende bewust dient te zijn van de impact die de familiale- en partnerrelaties op de gezondheid en het welbevinden van het oudere individu hebben. In de opleiding van hulpverleners en in diverse wettelijke bepalingen komt dit aspect volgens hem nog te weinig aan bod, hetgeen in het therapeutisch handelen weerspiegeld wordt. Vaak worden goed bedoelde maatregelen 'blind' ingesteld, zonder met de relationele context rekening te houden. Het betrekken van deskundigen (met een psychotherapeutische ervaring met ouderen) is niet alleen op geriatrische afdelingen, maar ook in Rust- en Verzorgingstehuizen én in de thuiszorg, geen overbodige luxe.
Een belangrijk uitgangspunt voor de hulpverlening bestaat er volgens Van de Ven in de fenomenen of problemen te bekijken binnen de relationele realiteit, de context. Zolang men stelt dat de patiënt, en uitsluitend de patiënt, centraal staat, gaat men juist voor deze patiënt vaak onvoldoende kunnen doen.

De afsluitende lezing werd gehouden door Prof. Kees Knipscheer (Departement Sociologie en Sociale Gerontologie, VUAmsterdam). In zijn bijdrage ging hij in op de veranderingen in intergenerationele relaties waarbij hij een overgang van patriliniaire naar ad-hoc familieverbanden beschreef.
Tot voor enige eeuwen, aldus Knipscheer, was het gebruikelijk dat het primaire leefverband waarvan mensen deel uitmaakten werd gevormd door de bloedverwantschap. In verband met de continuïteit was de bloedverwantschap immers verantwoordelijk voor de opeenvolging van de generaties en voor het dagelijks onderhoud van zijn leden. Als gevolg van talrijke economische en culturele ontwikkelingen werd het huwelijk structureel losgemaakt van de bloedverwantschap, d.w.z. het huwelijk werd als een relatief onafhankelijke eenheid gesitueerd tussen de twee bloedverwantschapslijnen van de huwelijkspartners, met gelijke rechten en plichten ten opzichte van beide lijnen. Deze relatieve onafhankelijkheid ten opzichte van beide lijnen werd mogelijk c.q. noodzakelijk gemaakt of versterkt door de behoefte aan individuele ontwikkeling, de vrije keuze van huwelijkspartner, de grotere economische zelfstandigheid in verband met de industriële ontwikkeling en een toenemende geografische en sociale mobiliteit. Het is deze relatieve onafhankelijkheid die er toe leidt dat elk huwelijk in feite het startpunt vormt van een zogenaamd 'ad-hoc' familieverband van ouders, kinderen, kleinkinderen en hedentendage vaak achterkleinkinderen.
Het ontstaan van dit 'ad-hoc' familieverband werd nader worden toegelicht met betrekking tot een vijftal ontwikkelingen: op het niveau van de demografie, op het niveau van de lokale gemeenschap, op het niveau van het verwantschapssysteem, op het niveau van het huishouden en op individueel niveau. Ten slotte werd ook worden stil gestaan bij de consequenties van deze ontwikkelingen voor de primaire verhoudingen tussen mensen in de tweede levenshelft in het algemeen en voor de verhouding tussen oude ouders en hun kinderen in het bijzonder.

Op deze themadag werden de sterke inhoudelijke bijdragen afgewisseld met reflectiemomenten waarbij de gastsprekers naar antwoorden zochten op de vragen van de deelnemers uit de wetenschappelijke en beleidsmatige middens en het middenveld. Jammer was dat er tijdens deze reflectiemomenten niet echt naar de rode draad tussen de verschillende lezingen werd gezocht. Het kader van de receptie was daartoe blijkbaar wel geschikt.

>> U kunt het verslag van deze forumdag bestellen via het bestelformulier.